Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AT3172

Datum uitspraak2005-03-30
Datum gepubliceerd2005-04-05
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
ZaaknummersAWB 02/5285 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Het dienstverband van werkneemster met eiseres is beëindigd. In verband met haar gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid is de werkneemster door verweerder in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
Verweerder heeft aan eiseres meegedeeld dat de WAO-uitkering van de werkneemster per 14 september 2001 wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.


Uitspraak

Rechtbank Amsterdam Sector Bestuursrecht Algemeen enkelvoudige kamer UITSPRAAK in het geding met reg.nr. AWB 02/5285 WAO van: [eiseres] N.V., gevestigd te [plaats], eiseres, vertegenwoordigd door mr. D. Mandias, tegen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gevestigd te Amsterdam, verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.B. van der Horst. 1. PROCESVERLOOP De rechtbank heeft op 2 december 2002 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 31 oktober 2002. Het onderzoek is gesloten ter zitting van 9 maart 2005. 2. OVERWEGINGEN In afwijking van hetgeen de Centrale Raad van Beroep in bijvoorbeeld zijn uitspraak van 4 mei 2004 met registratienummer 02/6547 WAO (LJN-nummer: AP0525) heeft overwogen zal de rechtbank, nu de werkneemster haar werkgever geen toestemming heeft verleend om kennis te nemen van haar medische gegevens, in deze uitspraak in algemene zin de medische klachten van de werkneemster benoemen. Mevrouw [werkneemster] (hierna: werkneemster) was werkzaam als kas/balie medewerkster in dienst van eiseres voor 21,6 uur per week tot zij op 28 september 1999 uitviel wegens ziekte. De werkneemster heeft haar werkzaamheden (gedeeltelijk) hervat tot 16,5 uur per week. Per 14 september 2001 is het dienstverband met eiseres beëindigd. In verband met haar gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid is de werkneemster door verweerder in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Bij primair besluit van 28 februari 2002 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat de WAO-uitkering van de werkneemster per 14 september 2001 wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen het primair besluit ongegrond verklaard en het primair besluit in zoverre gewijzigd dat aan de werkneemster met ingang van 14 september 2001 een WAO-uitkering wordt toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Eiseres heeft in beroep, samengevat, aangevoerd dat de werkneemster ondanks haar beperkingen in staat moet worden geacht de maatgevende functie te verrichten. Het standpunt van verweerder dat de maatgevende functie niet meer zou bestaan, ook niet elders, is onjuist. Om die redenen had een theoretische schatting van de arbeidsongeschiktheid van de werkneemster achterwege moeten blijven. In plaats daarvan heeft verweerder bij beslissing op het bezwaar van eiseres de mate van arbeidsongeschiktheid van de werkneemster middels een theoretische schatting herzien naar een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep dient bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van een verzekerde in beginsel als de zogeheten maatman te worden aangemerkt degene die dezelfde arbeid verricht als de verzekerde verrichtte voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Geschiktheid voor deze maatmanarbeid brengt in beginsel met zich mee dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid. Dit is evenwel anders wanneer hervatting in de oude functie niet mogelijk is en de maatmanarbeid zo specifiek is dat soortgelijke arbeid met een zelfde belasting en beloning bij andere werkgevers niet of nauwelijks voorhanden is. De arbeidsdeskundige schrijft in zijn rapportage van 19 november 2001 onder meer het volgende: Geschiktheid voor de maatmanfunctie: Op basis van de vergelijking belasting in het eigen werk en de belastbaarheid van cliënt kan geconcludeerd worden dat het eigen werk als passend te beschouwen is. Echter de bank heeft het dienstverband met cliënt beëindigd. Binnen de [eiseres], maar ook bij andere banken is de tendens dat de kas/baliemedewerkers verdwijnen. Klanten dienen gebruik te maken van pinautomaten en bij vragen dienen ze de telefonische helpdesk te bellen. Het is daarom niet reëel om te zeggen dat cliënt haar eigen werk elders zou kunnen uitvoeren. Derhalve is er ook een theoretische schatting aan de orde. De bezwaararbeidsdeskundige schrijft in zijn rapportage van 9 september 2002 onder meer het volgende: Geschiktheid eigen functie In het rapport van de AD wordt aangegeven dat belanghebbende geschikt is voor de maatgevende functie, echter de functie bestaat niet meer en komt ook niet elders voor. Aangezien voor de schatting alleen functies geduid mogen worden die bestaan/op de arbeidsmarkt aanwezig zijn, heeft er terecht een theoretische beoordeling op grond van het FIS plaatsgevonden. De rechtbank stelt vast dat de arbeidsdeskundige en de bezwaararbeidsdeskundige hebben volstaan met het zich vormen van een waarschijnlijkheidsoordeel bij de vaststelling dat soortgelijke arbeid met een zelfde belasting en beloning bij andere werkgevers niet of nauwelijks voorhanden is. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee door verweerder onvoldoende onderzoek verricht naar de vraag of er gelet op de (medische) geschiktheid voor de maatmanarbeid sprake is van arbeidsongeschiktheid. Het bestreden besluit komt, onder gegrondverklaring van het daartegen gerichte beroep, reeds hierom voor vernietiging in aanmerking. In tegenstelling tot verweerder is de rechtbank voorts van oordeel dat het betreden besluit voor eiseres is te beschouwen als reformatio in peius zoals dat geacht moet worden besloten te liggen in art. 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), nu zij door de uitkomst van de bezwaarschriftenprocedure in een slechtere positie is komen te verkeren. Namens verweerder is ter zitting verklaard dat eiseres geen (direct) belang heeft bij de hoogte van de WAO-uitkering zodat niet kan worden gezegd dat zij door de uitkomst van de bezwaarschriftenprocedure in een slechtere positie is komen te verkeren. De rechtbank kan verweerder hierin niet volgen. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (zie bijvoorbeeld USZ 2003/11, USZ 2002/102) heeft deze geoordeeld dat een werkgever als belanghebbende dient te worden aangemerkt bij een besluit met betrekking tot de aanspraken van één van zijn werknemers op een uitkering ingevolge de WAO. Eiseres is dan ook direct belanghebbende in de onderhavige kwestie. Nu verweerder geen argumenten naar voren heeft gebracht op grond waarvan in bezwaar het primaire besluit wel ten nadele van eiseres gewijzigd had mogen worden, kan het besluit ook gelet op het in deze alinea overwogene niet in stand blijven. Dit betekent dat het beroep gegrond zal worden verklaard en dat het bestreden besluit zal worden vernietigd. Verweerder zal worden opgedragen opnieuw te beslissen op het ter zake ingediende bezwaarschrift. Daarbij dient verweerder hetgeen in deze uitspraak is overwogen in acht te nemen. Aangezien het beroep gegrond wordt verklaard dient verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb het door eiseres betaalde griffierecht ad € 218,00 te vergoeden. De rechtbank ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb nu geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Beslist wordt als volgt. 3. BESLISSING De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 28 februari 2002 met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres het griffierecht ad € 218,00 (zegge: tweehonderd en achttien euro) vergoedt. Gewezen door mr. C.J. Polak, rechter, in tegenwoordigheid van B.O. Schaafsma, griffier, en openbaar gemaakt op: 30 maart 2005 De griffier, De rechter, Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep in Utrecht. Afschrift verzonden op: 30 maart 2005 Doc: B.